VRI Beginselverklaring
Krachtlijnen van een Vlaamse ruimtevaartstrategie
De VZW VRI stelt zich als eerste doel elementen aan te reiken voor een Vlaams ruimtevaartbeleid.
Dit beleid moet gestalte krijgen door de verschilende actoren rond één strategie te verzamelen. De overheid (federaal en Vlaams), de onderzoekswereld en de industrie zouden zich rond een aantal fundamentele opties moeten scharen om de Vlaamse aanwezigheid in de ruimtevaart inhoudelijk en kwantitatief te optimaliseren.
VRI wil dit bereiken door de industriëlen die een eigen ruimtevaartstrategie hebben uitgebouwd samen te brengen.
Dit initiatief sluit aan bij de jarenlange activiteit van FLAG als organisatie voor de Lucht- en Ruimtevaart in Vlaanderen. Inzake bewustwording en belangenverdediging heeft FLAG een pioniersrol vervuld. Binnen het VEV en FLAG groeide het inzicht dat een herdenken van het technologiebeleid van deze organisaties echter aangewezen was. FLAG zal daarom enerzijds meewerken aan een globaal sectoroverschrijdend technologie-initiatief van het VEV en heeft daarnaast het initiatief genomen om bedrijven die een gelijklopende specialisatie in de ruimtevaart hebben samen te brengen.
Deze nota wil nu een aantal elementen aanbrengen die als basis voor een strategie van VRI kunnen dienen.
Verantwoording voor een Vlaams ruimtevaartbeleid
Een verantwoording voor het optreden van Vlaamse bedrijven en van de Vlaamse en federale overheden op het terrein van de ruimtevaart kan op verschillende niveaus gevonden worden.
Het belangrijkste daarbij is het inhoudelijke: de specifieke inhoud van ruimtevaartprojecten zorgt ervoor dat die een technologische brugfunctie kunnen vervullen.
Het probleem van de doortstroming van nieuw-ontwikkelde technologie naar bruikbare toepassing is reeds een tijd onderkend als één van de belangrijkste problemen in het technologiebeleid. De ervaring in ruimtevaart leert dat deze sector daarbij een belangrijke ondersteunende rol speelt.
Ruimtevaart is een sector waar een product moet afgeleverd worden dat voldoet aan zeer strenge kwaliteitscontrole-eisen. De ruimtevaartorganisaties verwachten dat het geleverde zal functioneren in de extreme omstandigheden die gepaard gaan met een ruimtevaartmissie. Toch gaat het daarbij om zeer hoog-technologische producten en dat maakt net het specifieke van ruimtevaart uit: het gaat om zeer geavanceerde onderzoeksresultaten die echter moeten voldoen aan de strengste productspecificaties en garantieverplichtingen.
Binnen ruimtevaart krijgt men dan ook de kans om een nieuwe ontwikkeling tot een volledig functionerend product uit te werken op een ogenblik dat dit nog niet mogelijk is op de meeste andere markten. Voor de andere markten zal een technologie nog diverse, elkaar chronologisch opvolgende, ontwikkelingsstadia moeten doorlopen vooraleer deze marktrijp zal zijn. Door de ruimtevaart zal men de mogelijkheid hebben om sneller tot een mature toepassing te komen.
Twee concrete voorbeelden kunnen dit staven.
Binnen telecommunicatie en TV-distributie is ruimtevaart een vast element en zullen nieuwe vormen van persoonlijke mobiele communicatie via satelliet verlopen.
Daarnaast is er het materiaalonderzoek dat binnen ruimtevaart belangrijke toepassingen heeft en waar de toepassingen binnen programma's reeds concreet worden doorgevoerd (lang) voor dit het geval is in andere sectoren, zelfs aanverwante sectoren als de luchtvaart.
Ruimtevaart kan dus in een technolgiebeleid een belangrijke strategische rol vervullen.
Een ander argument is de belangrijkheid van de ruimtevaartmarkt zelf en de kwantitatieve achterstand van het Vlaamse aandeel daarin.
Ruimtevaart is op zich inderdaad een belangrijke markt. Bedrijven en onderzoeksinstellingen krijgen op een wereldwijde schaal door de ruimtevaartorganisaties belangrijke middelen toegeschoven.
Maar de commerciële markt voor ruimtevaart is in volle ontwikkeling en wordt snel een volledig commerciële markt. Zo is de markt voor lanceerraketten stilaan tot maturiteit gekomen. De telecommunicatie per satelliet en de daarbij horende diensten kunnen ook als een "normale" commerciële markt beschouwd worden, terwijl de markt voor de aardobservatie-gegevens zelfs een uiterst competitieve markt is geworden.
In deze markt in volle evolutie is Vlaanderen kwantitatief ondervertegenwoordigd. De cijfers die deze achterstand staven kunnen intussen als voldoende gekend worden beschouwd.
Daarnaast moet de institutionele bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de Gewesten (en Gemeenschappen) worden vermeld. De Vlaamse overheid kan immers optreden op het terrein van ruimtevaart en dit maakt een eigen strategie terzake noodzakelijk.
Reeds in de uitvoering van de wet van 8 augustus 1988 werd vastgelegd dat het ondersteunen van deelnames aan ruimtevaartprogramma's door Harmonisatieprojecten een bevoegdheid van de Gewesten zou zijn. De daarbijhorende begrotingsmiddelen werden dan ook aan de Gewesten overgedragen. Voor een ondersteuning die gelijklopend is met wat in andere Europese landen gebeurt, zijn de Vlaamse bedrijven en onderzoeksinstellingen dan ook uitsluitend op de Vlaamse overheid aangewezen. Hier moet worden vermeld dat het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van deze bevoegdheid reeds hebben gebruik gemaakt om projecten van hun bedrijven en universiteiten te ondersteunen.
Deze argumenten pleiten dan ook bijkomend, naast de inhoudelijke argumentatie, voor een initiatief van de bevoegde Vlaamse minister terzake.
Wij willen een aantal elementen geven hoe dit het meest efficiënt kan gebeuren.
De opbouw van het volgende deel van deze nota is dan ook als volgt: vertrekkend van een beschrijving van de sterktes van de Vlaamse ruimtevaartindustrie wordt gekeken naar wat de beleidsdoelstellingen kunnen zijn en hoe deze het best kunnen waargemaakt worden.
De Vlaamse ruimtevaartindustriëel: een niche-speler
De Vlaamse ruimtevaartindustrie is opgebouwd rond verschillende niches. Elke Vlaamse industrieel die aan ruimtevaart wil doen, heeft een kernactviteit moeten zoeken die hem toelaat op te treden als referentiepartner in een internationaal programma.
Dit kan slechts bereikt worden indien de industrie volgende doelstellingen weet in te vullen:
- de beheersing van generische basistechnologieën met een ruimtevaarttoepassing;
- beheersing van technologieën die een exploitatie - dadelijk of op middellange termijn - mogelijk maken; deze zijn nu vooral te vinden in telecommunicatie en aardobservatie;
- uitbouw van de positionering op Europese schaal op basis van de bestaande niches.
Samengevat betekent dit dat men een degelijke technologische basis moet bezitten en dat men op basis daarvan een positie op de internationale markt heeft moeten veroveren. De technologie die men heeft moet daarbij de mogelijkheid bieden om recurrente opdrachten te verwerven en tot exploitatie over te gaan.
De Vlaamse industrie heeft deze positie kunnen opbouwen in de volgende sectoren:
- bouw van instrumentatie en infrastructuur voor onderzoek van en in de ruimte, inclusief de toepassingen van robotica;
- beheers- en sturingssystemen voor bewaking en controle van ruimtetuigen en exploitatie van de gegevensstromen;
- telecommunicatietechnieken. Deze sector omvat zowel de ontwikkeling van de infrastructuur voor de onderscheiden ruimtevaartprogramma's, als de ontwikkeling van nieuwe technieken voor telecommunicatie (zoals bv. multimedia communicatietechnieken via satelliet);
- aanbieden van diensten, gebruik makend van ruimtevaarttechnologie of gebruik makend van satellietgegevens.
De belangrijkste ruimtevaartprogramma's waarbinnen zij dit moeten waarmaken lopen daarbij langs het Europees Ruimtevaartagentschap waarbij voor de Vlaamse ruimtevaartindustrie de volgende programma's belangrijk zijn:
- de wetenschappelijke - en technologische demonstratieprogramma's;
- aardobservatie;
- telecommunicatie;
- micro-zwaartekrachtonderzoek.
Deelname aan de ESA-infrastructuurprogramma's kan daarbij voor de Vlaamse industriëlen strategisch zijn, indien voldoende aandacht wordt besteed aan de onderdelen ervan die aansluiten bij deze actviteitsgebieden.
Binnen deze vakgebieden bestrijkt de Vlaamse industrie alle terreinen: zowel onderzoek en ontwikkeling (waar ESA zich voornamelijk situeert) als in commerciële toepassingen (voornamelijk in telecommunicatie en aardobservatie).
Ter ondersteuning van deze kernactviteiten hebben zich, meestal rond de industrie, een aantal onderzoeksinstellingen geprofileerd, zowel op het gebied van basistechnologie als voor de ontwikkeling van toepassingen.
Een ondersteuning door de overheid van deze programma's biedt de meeste kans om, rekening houdend met de bestaande sterktes van de Vlaamse partners, deze doelstellingen te bereiken.
Binnen deze gebieden kunnen Vlaamse bedrijven een belangrijke rol vervullen en kunnen zij zelf initiatieven voorstellen en leiden. Daardoor kunnen zij loskomen van de klassieke situatie van onderaannemer wat hen ruimte laat voor een eigen strategisch beleid.
In een verdere fase dient daar het exploiteren van de resultaten van ruimtevaartprogramma's, zoals aardobservatiegegevens, uitbating van satellietcommunicatiediensten evenals wetenschappelijke waarnemingen te worden aan toegevoegd.
Suggesties voor het Overheidsbeleid
De federale overheid blijft de belangrijkste schakel in het Belgische beleid.
Deze overheid neemt de cruciale beslissingen inzake de internationale programma's, i.h.b. ESA.
Voor de Vlaamse industriëlen is het dan belangrijk te verkrijgen dat bij de keuzes over de verschillende programma's met de Vlaamse sterktes rekening wordt gehouden. Een overleg tussen de federale overheid en de Vlaamse overheid zou dit kunnen versterken.
Hoewel de optie om vooral via ESA te werken ons verder verantwoord lijkt, willen wij toch ook aandacht vragen voor andere mogelijkheden.
In tegenstelling tot de andere Europese landen, ook de kleine landen, heeft België, of Vlaanderen, geen eigen nationaal programma. Dit betekent dat de Vlaamse bedrijven zich voor elk initiatief dat zij nemen onmiddellijk naar ESA moeten richten, waar dan weer geen kanalen zijn om nationale initiatieven te ondersteunen.
De ontwikkelingen binnen INTELSAT en INMARSAT en de Europese Unie verdienen wellicht meer aandacht dan dit tot nu toe het geval is. Tevens moet de Vlaamse betrokkenheid in bilaterale samenwerkingen (nu beperkt tot het weliswaar belangrijke SPOT-programma) worden opgetrokken. Deze bieden immers een goede mogelijkheid om aan Vlaamse bedrijven een leidende rol te geven.
De Vlaamse overheid heeft weliswaar de juridische mogelijkheid om binnen de eigen bevoegdheid initiatieven te ontwikkelen inzake ruimtevaartbeleid, maar heeft dit tot nu toe nog niet concreet ingevuld.
Aansluitend bij de voorgestelde strategie zouden wij volgende concrete acties voor de Vlaamse overheid willen voorstellen:
- het starten van een specifiek impulsprogramma gericht op ontwikkeling van generische technologieën met ruimtevaarttoepassing;
- het direct ondersteunen van de start-upkosten nodig voor de overgang naar commerciële exploitatie;
- het voorzien van "harmonisatie"-middelen. Deze term uit het ESA-jargon duidt op ondersteuning van de ontwikkeling van basistechnologieën met (o.a.) een ruimtevaarttoepassing. Deze financiering bestaat bij alle concurrenten en behoort tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest sinds 1989. Het niet invullen van deze bevoegdheid plaatst de Vlaamse industrie dan ook in een zwakkere positie dan de concurrenten;
- Vlaanderen kan gebruik maken van zijn verdragsrecht om bilaterale akkoorden over samenwerking op het vlak van ruimtevaart af te sluiten;
- de organisatie van een Vlaams Ruimtevaartforum waar alle actoren, overheid, industrie en onderzoekswereld elkaar ontmoeten.
Wij willen ook aandringen op een gestructureerd overleg tussen deze verschillende overheden waarbij de beslissingen van de ene overheid kunnen afgestemd worden op de beslissingen van de andere. Dit moet kunnen zonder een te zware organisatie die nodeloos tijdverlies met zich zou meebrengen.
De betrokkenheid van de leden van VRI bij activiteiten van de Vereniging
VRI wil de spreekbuis zijn van de Vlaamse industrie die een ruimtevaartactiviteit heeft.
Daartoe zullen de standpunten rond de strategische opties in de Raad van Bestuur, waar alle leden vertegenwoordigd zijn, worden vastgelegd. Onderhavige nota is daar de basis van.
Namens de leden van de Vereniging worden deze standpunten bij de verschillende instanties verdedigd.
De VRI zal ook naar buiten komen op de verschillende ruimtevaartbeurzen en technologiemanifestaties, waar mogelijk in samenwerking met FLAG.
Maar VRI wil meer zijn. Binnen de schoot van de Vereniging moet het mogelijk zijn tussen de leden tot een uitwisseling van ideeën en ervaringen te komen. Maar vooral moet VRI uitgroeien tot een forum waar samenwerkingsverbanden rond concrete projecten en programma's ontstaan.
Niet alleen volgens de klassieke manier van werken: het vormen van een consortium als antwoord van een oproep van een internationale organisatie.
Zeker in de huidige conjunctuur binnen ESA is er behoefte aan eigen initiatieven en een pro-actief optreden. De leden van VRI moeten op eigen initiatief aan ESA programma's kunnen voorstellen die beantwoorden aan hun specifieke sterktes. Een samenwerking tussen meerdere VRI-leden zou dit mogelijk moeten maken.
Deze samenwerking kan ook de basis vormen voor het definiëren van impulsprogramma's die aan de Vlaamse overheid kan voorgesteld worden.
VRI moet ook een antwoord formuleren op de negatieve sfeer die meer en meer rond ruimtevaart hangt. Een deel van de overheid, van de onderzoekswereld en ook van publieke opinie ziet ruimtevaart niet langer als een drager van nieuwe technologische ontwikkelingen, maar eerder als een geldverslindende machine zonder wetenschappelijke of sociaal-economische meerwaarde. Daar wil VRI een tegengewicht voor vormen door gerichte PR-acties.
De geassocieerde leden dienen bij deze verschillende acties betrokken te worden.
Aan hen wordt steeds de kans gegeven zich aan te sluiten bij samenwerkingsverbanden die binnen VRI worden opgezet en ze zullen worden uitgenodigd daarin dezelfde pro-actieve rol te spelen.
Op geregelde tijdstippen zullen ook zij kunnen meewerken aan de standpuntbepaling. Van elk geassocieerd lid zal overigens gevraagd worden zijn specifieke interesse mee te delen om het dan bij de relevante discussies te kunnen betrekken.
Voor neofieten in ruimtevaart die de mogelijkheden ervan wel willen leren kennen moet VRI natuurlijk een interessant contactforum en informatiebron worden.
|